Wie de hedendaagse radicaal-rechtse politiek volgt, stuit vroeg of laat op een opmerkelijke paradox. In Nederland werd onlangs bekend dat Iem al Biyati – voormalig voorzitter van de JFVD en een vrouw met een Koerdisch-Iraakse migratieachtergrond – tijdelijk plaatsneemt in de Tweede Kamerfractie van Forum voor Democratie (FVD). Ze vervangt daar Lidewij de Vos, die met zwangerschapsverlof is gegaan. Critici grepen het nieuws direct aan om cynisch te Twitteren dat FVD nu “zelf omgevolkt” is. Binnen de partij wordt dat heel anders gezien: Al Biyati deelt de ideologie, is seculier en ageert fel tegen massamigratie. Haar afkomst is voor de achterban secundair aan haar assimilatie.
Maar deze discussie over wie er wel of niet bij een cultuur of ‘ras’ hoort, is niet nieuw. Sterker nog, als we kijken naar de internationale denkers die de theoretische fundamenten van modern radicaal-rechts en de alt-right vormen, zien we dat de definitie van ‘wit’ of ‘blank’ voortdurend wordt opgerekt, gekrompen en misbruikt voor geopolitiek gewin.
Neem Richard Spencer, de bekende Amerikaanse alt-right ideoloog. In debatten met moslims en critici hanteert hij een opvallend brede definitie van blank zijn. Waar klassieke racisten zich beperkten tot Germaanse of Noord-Europese volkeren, trekt Spencer de grens door naar de gehele Indo-Europese taalfamilie. In zijn visie vallen Iraniërs en Koerden daar biologisch en historisch gezien ook onder. Zwarte Amerikanen sluit hij expliciet uit: zij spreken wel een Indo-Europese taal (Engels), maar delen volgens hem niet de genetische bloedlijn.
Waarom doet Spencer dit? Niet uit historische accuraatheid, maar uit pure geopolitieke noodzaak. Spencer denkt in ‘beschavingsstaten’. Hij ziet dat losse westerse landen te klein zijn om te overleven tegenover gigantische blokken zoals China. Zijn oplossing? Een verenigd blank imperium – een Racial Empire – waarin alle volkeren met Indo-Europese wortels zich verenigen tot één machtig blok. Hoe groter je de groep maakt, hoe sterker je staat in de mondiale overlevingsstrijd.
Wie dieper in de geschiedenis duikt, ziet dat deze intellectuele spagaat tussen rassenideologie en keihard politiek opportunisme een directe kopie is van hoe Adolf Hitler in de jaren 30 en 40 naar de wereld keek. Hitlers rassenleer rammelde aan alle kanten en werd voortdurend aangepast zodra de militaire realiteit daarom vroeg.
Hitler en de Iraanse spagaat
Hitler was geobsedeerd door het idee dat een blond, blauwogig oervolk (de Ariërs) ooit vanuit Noord-Europa de grote beschavingen op aarde had gesticht. Nazi-ideologen zoals Alfred Rosenberg prezen de historische prestaties van het vroege Perzische Rijk. Dat rijk was volgens de nazi-theorie het werk van Arische kolonisten. Het was volgens Hitler uiteindelijk ingestort omdat de oorspronkelijke Ariërs zich in de loop der eeuwen hadden vermengd met lokale, niet-Arische volkeren.
Over moderne Iraniërs dacht Hitler dan ook heel negatief; hij zag hen als een “verwaterd” en biologisch minderwaardig volk. Iraanse studenten werden in de beginjaren van het nazi-regime in Berlijn zelfs fysiek aangevallen door de SA vanwege hun niet-Europese uiterlijk.
Toch dreef het nazi-regime om puur politieke en economische redenen een actieve vrijage met de Iraanse sjah, Reza Pahlavi. Duitsland had de Iraanse olie en strategische ligging hard nodig. De propagandamachine van Joseph Goebbels financierde Iraanse tijdschriften waarin plotseling de “Arische broederschap” tussen Duitsers en Iraniërs zwaar werd overdreven. Toen de sjah in 1935 zijn land officieel hernoemde van Perzië naar Iran (wat letterlijk Land van de Ariërs betekent), speelden de nazi’s hier gretig op in. Om de vitale oliehandel niet in gevaar te brengen, werden Iraniërs in de praktijk ontzien bij de discriminerende Neurenberger rassenwetten. Het was pure hypocrisie: biologisch waren ze in Hitlers ogen geen Ariërs, maar geopolitiek moesten ze dat tijdelijk wel zijn.
De Arabieren: Bewondering voor de religie, minachting voor het ras
Nog absurder en logisch inconsistent was Hitlers visie op de Arabieren. In zijn rassenhiërarchie stonden Arabieren, als Semitisch volk, erg laag. In zijn privégesprekken (Tischgespräche) sprak hij met diepe minachting over hen en noemde hen “halvappen“. Dat zij historisch een megagroot wereldrijk hadden gesticht, vormde een groot probleem voor zijn theorie dat alleen Ariërs beschavingen konden bouwen.
Hitler loste dit op met een bizarre mentale gymnastiek: hij trok de religie los van het volk. Hitler had namelijk een enorme bewondering voor de islam. Hij vond het christendom “meegaand en slap”, terwijl hij de islam zag als een echte, agressieve “soldatenreligie” die perfect paste bij het militaristische fascisme. Hij zei letterlijk dat het een historische ramp was dat de moslims in de 8e eeuw de Slag bij Poitiers hadden verloren van de Fransen. Als de islam Europa had veroverd, waren de Europeanen (volgens hem het superieure ras) moslim geworden, en had dat “Arisch-islamitische” rijk de hele wereld geregeerd.
De Arabieren zelf hadden volgens Hitler de capaciteit niet om dit rijk in stand te houden; zodra ze zich vermengden, verloren ze hun kracht. Het feit dat de islam een door en door Arabische religie is (maar wel universeel), die historisch, cultureel en taalkundig onlosmakelijk verbonden is met het Arabische schiereiland, negeerde Hitler voor het gemak volledig. Net als bij Iran woog het militaire belang zwaarder dan de ‘rassenwetenschap’: Hitler sloot een pact met de Grootmoefti van Jeruzalem om samen tegen de Britten en de Joden te vechten, en de Arabieren werden tijdelijk geprezen als bondgenoten.
Mongolen en de Japanse “Ere-Ariërs”
Hetzelfde patroon zagen we bij de Mongolen. Het Mongoolse Rijk van Dzjengis Khan was het grootste aaneengesloten landrijk uit de geschiedenis. Omdat dit rijk volledig door Aziaten was gesticht, noemde Hitler hen simpelweg “cultuurvernietigers”. Ze waren militair geniaal en meedogenloos, maar ze hadden in zijn ogen niets constructiefs aan de wereld bijgedragen. Hij gebruikte de Mongoolse geschiedenis in zijn propaganda om te waarschuwen voor het “Aziatische gevaar” uit het Oosten (de Sovjets).
Maar toen nazi-Duitsland in de Tweede Wereldoorlog Japan keihard nodig had als bondgenoot tegen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, werd de rassenleer opnieuw vloeibaar. De nazi’s gaven de Japanners de officiële propagandatitel Ehrenarier (“Ere-Ariërs”). Ineens waren Aziaten via een juridische truc wél acceptabel.
De geschiedenis laat zien dat rassenideologieën – of ze nu uit de koker van Adolf Hitler komen of worden gemoderniseerd door hedendaagse alt-right denkers zoals Richard Spencer – nooit gebaseerd zijn op harde, onwrikbare feiten. Het zijn rommelige, inconsistente theorieën die voortdurend worden aangepast aan de politieke en militaire realiteit van de dag.
Als een radicaal-rechtse denker vandaag de dag de definitie van ‘wit’ breder wil trekken om een vuist te maken tegen China, dan mag de hele Indo-Europese familie (inclusief Iraniërs en Koerden) er ineens bij. Maar als diezelfde groepen als migrant naar Europa komen, sluit de deur zich net zo snel weer op basis van cultuur en nationalisme. Het bewijst dat de rassenpuzzel van radicaal-rechts geen wetenschap is, maar een opportunistisch schaakspel waarin de regels tijdens de wedstrijd worden veranderd.