Het is een van de grootste ‘wat als’-scenario’s uit de Aziatische geschiedenis. Als je vandaag de dag naar de Filipijnen reist, zie je overal gigantische katholieke kerken, hoor je Spaanse achternamen en viert het land uitbundig Kerstmis. Maar het had maar een haar gescheeld, of de Filipijnen waren nu een van de grootste islamitische landen ter wereld geweest. Voordat de Spaanse schepen in de zestiende eeuw aan de horizon verschenen, was de islam namelijk hard op weg om de hele archipel te veroveren.
In dit blogbericht duiken we in een fascinerend stuk geschiedenis: hoe de Filipijnen bijna volledig islamitisch werden, hoe de Spanjaarden daar keihard tegenaan gingen, en waarom de moslims in het zuiden vandaag de dag worden gezien als hét symbool van ultieme Filipijnse trots.
De snelle opmars van de islam
In de veertiende eeuw arriveerden de eerste Arabische, Perzische en Maleise handelaren en missionarissen in het zuiden van de Filipijnen. Zij brachten niet alleen handel met zich mee, maar ook een nieuw geloof: de islam. De religie sloeg snel aan. Waar de Filipijnen destijds vooral bestonden uit versnipperde, kleine stammen die in de natuur geloofden (animisme), bracht de islam structuur, wetgeving en eenheid.
Binnen de kortste keren verrezen er machtige, centraal geleide koninkrijken in het zuiden, zoals het legendarische Sultanaat van Sulu en het Sultanaat van Maguindanao. De islam bleef echter niet in het zuiden. De religie verspreidde zich in een razend tempo naar het noorden. Zelfs op de plek waar nu de miljoenenstad Manilla ligt, regeerde destijds een islamitische koning, Rajah Sulayman. Het noordelijke vorstendom Maynilad had nauwe banden met het machtige Sultanaat Brunei. Historici zijn het erover eens: als de Spanjaarden een paar decennia later waren gekomen, was de volledige Filipijnse bevolking overgegaan op de islam.
De Spaanse stormloop
In 1565 veranderde alles. De Spaanse conquistador Miguel López de Legazpi zette voet aan wal. De Spanjaarden kwamen net uit een eeuwenlange, bloederige strijd in eigen land, waar ze de Moren (moslims) uit het Iberisch Schiereiland hadden verdreven. Toen ze in de Filipijnen opnieuw moslims aantroffen, zagen ze dat als een directe bedreiging voor hun koninkrijk én hun geloof.
De Spanjaarden begonnen een agressieve, militaire kersteningcampagne. Met superieure vuurwapens en het uitbuiten van de verdeeldheid onder de inheemse animistische stammen, wisten ze het noorden en het midden van de Filipijnen relatief snel te veroveren. Moslimleiders in het noorden, zoals Rajah Sulayman, vochten dapper maar verloren hun territorium. De Spanjaarden bouwden kerken op de fundamenten van islamitische nederzettingen en bekeerden de bevolking massaal tot het rooms-katholicisme.
Eeuwenlang onverzettelijk: De Moro-oorlogen
Maar toen de Spanjaarden naar het zuiden trokken, liepen ze tegen een muur van graniet. De moslims in Mindanao en Sulu—door de Spanjaarden spottend “Moros” genoemd—lieten zich niet zomaar onderwerpen. Wat volgde was een van de langste conflicten uit de wereldgeschiedenis: de Moro-oorlogen, die ruim driehonderd jaar zouden duren.
De moslims hielden de Europeanen buiten de deur met slimme en geavanceerde tactieken. Ze bouwden cotta’s: slim gecamoufleerde forten van steen, aarde en bamboe, uitgerust met draaibare bronzen kanonnen (lantaka’s). Daarnaast waren ze meesters in de guerrillastrijd op zee. Met hun supersnelle boten voerden ze verrassingsaanvallen uit op Spaanse schepen en christelijke nederzettingen in het noorden, om vervolgens spoorloos te verdwijnen in de dichte jungle en verborgen baaien. Voor de Moros was deze strijd een Jihad, een heilige plicht om hun geloof, cultuur en vrijheid te beschermen. Spanje stuurde leger na leger, maar het zuiden kregen ze nooit definitief in handen.
Van vijandbeeld naar ultieme nationale trots
Tegenwoordig is ruim tachtig procent van de Filipijnen katholiek en woont de islamitische minderheid (zo’n zes procent) voornamelijk in het zuiden. Hoewel de eeuwenlange strijd in het verleden voor diepe vooroordelen en wantrouwen heeft gezorgd tussen christenen en moslims in het land, is er de laatste jaren een prachtige kanteling gaande.
Binnen het onderwijs, de politiek en de cultuur groeit het respect voor de moslimbevolking enorm. Veel Filipino’s zien de Moros inmiddels als de ultieme helden van de natie. Waarom? Omdat zij de enige groep waren die zich nóóit hebben overgegeven aan de Spanjaarden, en later ook niet aan de Amerikanen. Terwijl het noorden werd verwesterd en zijn oorspronkelijke cultuur grotendeels verloor, hielden de moslims in het zuiden hun eigen identiteit, tradities en vrijheid glansrijk overeind.
De kleurrijke traditionele kleding, de unieke architectuur en de opzwepende trommelmuziek uit het islamitische zuiden worden nu omarmd als de meest pure, ongetemde vorm van de Filipijnse cultuur. Het is een levend bewijs van een volk dat weigerde te buigen voor koloniale onderdrukkers. Een geschiedenis die niet alleen de Filipijnen, maar heel Zuidoost-Azië voorgoed heeft gevormd.
De vijand van mijn vijand: Hoe de Nederlandse VOC een handje hielp
In de zeventiende eeuw kreeg dit geopolitieke schaakspel een onverwachte, Nederlandse wending. Terwijl de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in Europa verwikkeld was in de Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje, zocht de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Azië naar manieren om de Spanjaarden het leven zuur te maken. Onder het motto ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’ vonden de Nederlandse zeevaarders een natuurlijke bondgenoot in de islamitische sultanaten in het zuiden van de Filipijnen. De VOC stuurde oorlogsschepen naar de wateren rond Sulu en Mindanao om Spaanse vloten te blokkeren en leverde in het geheim wapens en buskruit aan de moslims. Deze Nederlandse steun gaf de Moros extra vuurkracht om de Spaanse forten te bestoken en hun onafhankelijkheid te beschermen. Hoewel de Nederlanders dit puur uit eigenbelang deden om de specerijenhandel te domineren, zorgde deze ‘Hollandse alliantie’ ervoor dat de Spanjaarden hun handen vol hadden en het zuiden nooit definitief konden inlijven.